Engelen

Voorwoord

Engelen zijn terug van weggeweest. Niet weggeweest in de zin dat ze even niet hebben bestaan. Nee, ze zijn terug in de belangstelling. De verhalen van engelenverschijningen zijn talrijk. Maar wat moet je ermee? Is het echt of is het suggestie? Engelen behoren tot de hogere wereld, de wereld van het onzichtbare, de wereld van de geesten. Onzichtbaar, maar wel werkelijk. Geen droom of fictie. Er zijn goede en kwade engelen, goede en kwade geesten. Kunnen we ergens houvast vinden als we iets over engelen te weten willen komen? Jazeker! In de Bijbel, het woord van God, staan maar liefst meer dan 250 verwijzingen naar engelen. Niet gering. Daar moet wel iets te leren zijn over hun ontstaan, hun werk, hun toekomst.

In de studie die u nu ter hand hebt genomen, zullen niet alle vragen worden opgelost. Wat wel duidelijk wordt, is dat wie zich bezighoudt met engelen aan de hand van de Bijbel, altijd uitkomt bij de Heer Jezus. Hij is het centrum van alles wat God heeft gemaakt, het centrum dus ook van de engelenwereld. Bij de goede engelen staat Hij centraal in hun bewondering; zij verlangen ernaar Hem te eren. Bij de kwade engelen staat Hij centraal in hun haat; zij verlangen ernaar Hem zoveel mogelijk te onteren. Stel Hem centraal en alle dingen krijgen hun ware betekenis.

Voor tekstaanhalingen uit het Oude Testament heb ik, tenzij anders vermeld, gebruik gemaakt van de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap. Voor die van het Nieuwe Testament heb ik de Herziene Voorhoeve-uitgave gebruikt, ook wel Telosvertaling genoemd.

1. Het begin

Engelen zijn geschapen

Engelen. Je ziet ze niet. Toch zijn ze er, ontelbaar veel (Job 25:3a). Ze zijn er omdat de Heer Jezus ze heeft geschapen. Je leest dat in Kol. 1:16. Daar staat ook bij waarom Hij ze heeft geschapen: ze zijn ‘tot Hem geschapen’, tot zijn eer, opdat ze Hem zouden dienen. Hij schiep de engelen, opdat in en door elke geschapen engel iets van zijn heerlijkheid als Schepper bekend gemaakt zou worden. Engelen behoren tot de onzienlijke, geestelijke wereld. Het zijn geestelijke wezens. Het zijn geen wezens van vlees en bloed (Luk. 24:39), maar wezens met een hemels, geestelijk lichaam (zie 1 Kor. 15:40, 44). Zij zijn ‘de overheden en machten’ die zich bevinden ‘in de hemelse gewesten’ (Ef. 3:10).

De ontelbare hoeveelheid engelen is niet het gevolg van vermenigvuldiging. Aan de mens (man en vrouw) gaf God de opdracht: ‘Weest vruchtbaar en wordt talrijk’ (Gen. 1:28; zie ook Hand. 17:26). Op deze wijze is Hij niet met de engelen te werk gegaan. Engelen zijn geslachtsloos. Ze horen bij een andere orde van zaken, waar van trouwen en voortplanting geen sprake is (Matth. 22:30; Mark. 12:25; Luk. 20:35, 36). In tegenstelling tot mens en dier, die door voortplanting talrijk worden, heeft de Heer Jezus elke engel apart geschapen. Het aantal engelen dat Hij schiep, is sinds hun schepping niet met één engel vermeerderd of verminderd. Het minimale aantal staat in Openb. 5:11: ‘Tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.’ Het aantal engelen dat daar rond de troon staat, bedraagt dus meerdere honderden miljoenen. Satan en zijn demonen zijn daar uiteraard niet bij inbegrepen.

Dit enorme aantal engelen is door de Heer Jezus geschapen nog voordat Hij de aarde schiep. De HERE spreekt tot Job over jubelende engelen als Hij het heeft over het grondvesten van de aarde (Job 38:4–7). De zonen Gods die daar worden genoemd, zijn engelen. Een vergelijking met Job 1:6 en 2:1 maakt dat duidelijk.

Scheiding van geesten

In het oorspronkelijk aantal geschapen engelen is na verloop van tijd een dramatische en onherroepelijke tweedeling ontstaan. Wanneer dat precies is gebeurd, is niet na te gaan. Wel kunnen we nagaan wat de aanleiding tot dit drama in de engelenwereld was en wie het initiatief ertoe nam.

In Ezech. 28:12–19 wordt het een en ander gezegd over de koning van Tyrus. Het is onmiskenbaar dat er een dubbele bodem zit in wat van deze koning wordt gezegd. Achter deze koning doemt een gestalte op van iemand die in vers 14 ‘een beschuttende cherub’ wordt genoemd. Een cherub is een engel die een speciale zorg heeft voor de heerlijkheid en gerechtigheid van God (Gen. 3:24; Ezech. 10). Uit de beschrijving van deze ‘beschuttende cherub’ blijkt dat deze een bijzondere positie en bijzondere kwaliteiten had. Hij had‘uitgespreide vleugels‘ wat het aspect van bescherming en bewaking benadrukt (vgl. Ex. 25:18–22; 1 Kon. 6:23–35). God had deze engelenvorst een plaats gegeven in zijn onmiddellijke nabijheid, zijn ‘heilige berg’. Daar wandelde hij ‘temidden van vlammende stenen‘. Deze cherub was thuis in een omgeving waar Gods heiligheid alle zonde verteert (‘vlammende’) en Gods heerlijkheid door alles weerkaatst wordt (‘stenen’). Niets wees erop dat deze hooggeplaatste, hoogbevoorrechte engel ontevreden zou worden. Er viel niets op hem aan te merken vanaf de dag dat hij geschapen werd, ‘totdat…’.

Met dit ‘totdat’ wordt een tragedie ingeluid die zijn weerga niet kent. Aan alle voortreffelijkheden van deze cherub komt in een klap een einde: ‘…totdat er onrecht in u werd gevonden.’Deze constatering kon alleen God doen, want ‘geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij [en ook de engelen]te doen hebben’ (Hebr. 4:14). Van buiten leek er niets gewijzigd. Maar God keek in het binnenste, het innerlijk van deze engelenvorst. Hij zag het onrecht en noemde de oorzaak.

Hier hebben we de val van de hoogste engel, hier begint het bestaan van satan, hier ontstaat de zonde. De scheiding van geesten is begonnen. De kloof die tot in eeuwigheid blijft bestaan, is een feit. Voor de mens is er, God zij dank, een brug over de kloof geslagen. Jezus Christus, de Zoon van God stierf aan het kruis voor ieder die zich bekeert ‘van de duisternis tot het licht en van de macht van satan tot God; opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij [dat is de Heer Jezus]’ (Hand. 26:18).

De oorzaak van het drama

Hoe kwam het dat zulk afstotelijk onrecht in die zo bevoorrechte engel kon ontkiemen? Omdat hij niet meer op God gericht was, maar vervuld raakte van eigen belangrijkheid. Hij werd trots op zijn eigen schoonheid (Ezech. 28:16, 17). Dat kon God niet dulden. Hij velde zijn oordeel.

Jesaja spreekt in hoofdstuk 14:12–15 over dezelfde gebeurtenis: ‘Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het Noorden; ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen. Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste van de groeve.’

Hier komt nog duidelijker naar voren wat deze engelenvorst tot satan maakte: hij wilde aan God gelijk zijn. De Bijbel noemt deze zonde: hoogmoed. Dit betekende de val van deze engel. Hoogmoed betekent de val van ieder, ook van elk mens. Hoogmoed is het meer willen zijn dan men is, het zich verheffen boven de plaats die men heeft gekregen. Paulus waarschuwt dat iemand die een taak van opziener in het huis van God wil vervullen, geen pasbekeerde mag zijn ‘opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in hetzelfde oordeel als de duivel valt’ (1 Tim. 3:6).

Vanaf zijn val is satan de verklaarde, meedogenloze tegenstander van God. De naam ‘satan’ betekent ‘tegenstander’. Maar hij staat niet alleen in zijn genadeloze strijd. Hij heeft zijn hoge positie ook misbruikt om vele engelen mee te slepen in zijn opstand tegen God. In Matth. 25:41 lezen we over ‘het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid’ en in Openb. 12:9 lezen we van satan en zijn engelen. Die engelen hebben zijn kant gekozen. Zij zijn ook bekend onder de naam ‘demonen’.

Maar God heeft ervoor gezorgd dat niet alle engelen door satan zijn misleid. De honderden miljoenen engelen van Openb. 5:11 zijn daarvoor bewaard gebleven. Zij worden veelzeggend‘uitverkoren engelen’ genoemd (1 Tim. 5:21). God heeft hen uitverkoren om Hem trouw te blijven. Zij blijven beantwoorden aan het doel waartoe Hij hen heeft geschapen.

Op deze ‘uitverkoren engelen’ zullen we nu eerst verder onze aandacht richten. Daarna zullen we ook nog kijken naar het werk en het einde van satan en zijn demonen.

2. De uitverkoren engelen

Orden en rangen

Binnen de wereld van de engelen kunnen we verschillende rangen en orden opmerken. Zoals gezegd noemt de Bijbel het woord ‘engel’ meer dan 250 keer. Een speciale vermelding is die van de Engel des HEREN. Daarnaast lezen we nog van cherubs, serafs, een aartsengel, tronen, heerschappijen, overheden, machten, krachten. We zullen in grote lijnen nagaan wat de Bijbel ervan zegt.

Engel des HEREN

Als deze bijzondere uitdrukking wordt gebruikt, wordt daarmee vaak de Heer Jezus aangeduid. Het gaat dan om een zogenaamde ‘theophanie’, dat is een verschijningsvorm van God. Overal waar God Zichzelf openbaart, doet Hij dat in de Heer Jezus. Omdat de Heer Jezus in het Oude Testament nog niet als ‘geopenbaard in het vlees’ (1 Tim. 3:16) is gekomen, verschijnt Hij in het Oude Testament in de gedaante van een engel. Uit het verband moet dan duidelijk worden of het inderdaad een verschijning van God betreft of dat het toch om een ‘gewone’ engel gaat. Zo maakt Gen. 16:7–14 enkele keren melding van ‘de Engel des HEREN’. Het verband maakt duidelijk dat het daar om de HERE Zelf gaat.

De HERE in het Oude Testament is de Heer Jezus. Dat wordt duidelijk uit een vergelijking tussen Jes. 6:1–5 en Joh.12:37–41. Wat in Jes. 6:1–5 van de HERE staat, heeft volgens Joh. 12:41 betrekking op de Heer Jezus. Als er dus sprake is van de Engel des HEREN als een verschijning van de HERE, betreft het een oudtestamentische verschijning van de Heer Jezus. In Gen. 22:15 wordt de Engel des HEREN ook genoemd, Die in het volgende vers de HERE Zelf blijkt te zijn.

Cherubs

Meerdere keren worden zij vereenzelvigd met de troon van God (Ps. 80:2; 99:1; Jes. 37:16) of daarmee verbonden (Ezech. 10:1). Een troon wijst op regering en het uitoefenen van gerechtigheid. De eerste keer dat er iets over cherubs in de Bijbel staat, in Gen. 3:24, blijkt dat al. Daar is duidelijk hoe zij ervoor zorgen dat Gods rechtvaardig oordeel wordt uitgeoefend over de in zonde gevallen mens. Zij sluiten met een flikkerend zwaard de weg naar de boom van het leven af.

Cherubs zijn ook te zien in de tabernakel, Gods woonplaats te midden van zijn volk Israël in de woestijn. Ze staan geborduurd op het voorhangsel dat de toegang tot het heilige der heiligen afsluit (Ex. 26:31). Zij bewaken de toegang tot God, opdat de zondige mens niet tot Hem zal komen. God kan nooit in verbinding met de zonde worden gebracht. Achter het voorhangsel, op de ark, troont God tussen de cherubs (Ex. 25:22).

Serafs

Over deze wezens staat alleen iets in Jes. 6:2-7, de enige plaats waar ze vermeld worden. Naar de betekenis van hun naam zijn zij ‘vurige wezens’, vuurengelen. Zij geven daar een duidelijk getuigenis van de heiligheid van God door het elkaar toe te roepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen.’ Evenals de cherubs zijn zij verbonden met de troon van God. Evenals bij de cherubs is er bij de serafs sprake van vleugels. Het onderscheid tussen serafs en cherubs lijkt te zijn dat serafs lofprijzende engelen zijn, die vervuld zijn van de heiligheid van God, terwijl bij de cherubs het meer gaat om de beginselen van Gods rechtvaardige regering op aarde.

Aartsengelen

In de Bijbel wordt slechts tweemaal over een aartsengel gesproken, namelijk in 1 Thess. 4:16 en Jud. :9. In de laatst aangehaalde tekst wordt een aartsengel met name genoemd,‘de aartsengel Michaël’. In de eerst aangehaalde tekst komt alleen het woord ‘aartsengel’ voor. In de Bijbel wordt van de engelen naast Michaël alleen nog Gabriël met name genoemd, en wel gewoon als ‘de engel Gabriël’ (Luk. 1:26; zie ook vs. 19; Dan. 8:16; 9:21). Alleen Michaël wordt dus aartsengel genoemd, Gabriël niet.

De traditie van de kerk spreekt van in totaal zeven aartsengelen. Die opvatting zou men baseren op Openb. 8:2. Daar is sprake van ‘de zeven engelen die vóór God staan’. Naast de twee al genoemde namen circuleren binnen de traditie van de kerk nog de namen Rafaël, Uriël, Raguël, Remiël en Razaël. Maar daarvoor ontbreekt elk bijbels fundament. Daarom kunnen die zogenaamde aartsengelen als pure verzinsels aan de kant worden geschoven. De Bijbel is de enige betrouwbare bron in het onderzoek naar engelen.

Van Michaël wordt bij nader onderzoek nog iets meer duidelijk. Zijn naam wordt namelijk ook nog genoemd in Dan. 10:13; 12:1 en Openb. 12:7. In die teksten blijkt hij steeds de tegenstander van de satan te zijn. De betekenis van zijn naam (‘wie is als God?’) maakt hem tot het passende instrument tegen de satan. Satan wilde zich immers aan God gelijk stellen (Jes. 14:14)? Maar niemand is aan God gelijk (Jes. 40:25; Jer. 10:6, 7; 49:19; 50:44). Opvallend is ook de relatie die er lijkt te bestaan tussen Michaël en Israël. Telkens als er over hem wordt gesproken, gebeurt dat in verbinding met dat volk.

Tronen – heerschappijen – overheden – machten – krachten

Met deze aanduidingen worden ook engelen bedoeld (bijv. Ef. 6:12; Kol. 1:16 en 1 Petr. 3:22). Kijk bijvoorbeeld maar naar Ef. 6:12. Daar wordt een duidelijk contrast gemaakt tussen wat zichtbaar is enerzijds (‘bloed en vlees’) en wat onzichtbaar is anderzijds (‘geestelijke machten… in de hemelse gewesten’).

Het is niet eenvoudig om het onderscheid tussen deze aanduidingen aan te geven. Daartoe ben ik in elk geval niet in staat. Mogelijk wijst de hier gegeven indeling op een hoge organisatiegraad binnen de engelenwereld. Het belangrijkste is dat al deze machten door Christus geschapen en aan Hem onderworpen zijn.

‘Gewone’ engelen

Rest nog de ‘gewone’ engel. Het woord ‘engel’ betekent ‘bode’, ‘boodschapper’, ‘gezant’. Er kan een menselijke, maar ook een hemelse bode mee worden aangeduid. Voor ‘engel’ als een aanduiding van een menselijke bode: zie Hag. 1:13; Mal. 2:7; Openb. 1:20.

Engelen zijn geen eeuwige, maar geschapen wezens. Wel blijven ze tot in eeuwigheid bestaan. Ze hebben een eigen persoonlijkheid. Ook hebben ze een wil. (Vandaar dat satan persoonlijk wordt geoordeeld voor zijn opstand tegen God, evenals alle engelen die hem in zijn opstand zijn gevolgd.) Ze zijn begiftigd met inzicht, met wijsheid (2 Sam. 14:17, 20). In zijn strijd met de satan om het lichaam van Mozes geeft Michaël blijk van een persoonlijke overtuiging en afweging, waaraan hij een conclusie verbindt. Hij ‘durfde, toen hij met de duivel redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zei: Moge de Heer u bestraffen’ (Jud. :9). Dit handelen met inzicht vinden we ook bij Gabriël in zijn gesprek met Zacharia (Luk. 1:11–21). Hij deelt een straf uit aan Zacharia omdat deze de woorden van Gabriël (‘mijn woorden’, vs. 20) niet geloofde.

Engelen hebben ook gevoelens. Ze jubelden bij de schepping (Job 38:4–7). En de Heer Jezus zegt in zijn gelijkenis van de verloren munt: ‘Zo, zeg Ik u, ontstaat er blijdschap voor de engelen van God over één zondaar die zich bekeert’ (Luk. 15:10). Het betreft hier de blijdschap van God die door de engelen wordt waargenomen. Maar zullen zij, die jubelden bij de schepping, niet delen in Gods blijdschap als iemand ‘een nieuwe schepping’ (2 Kor. 5:17) wordt?

Andere kenmerken

Engelen zijn dus persoonlijkheden. Ze bezitten een wil, wijsheid en inzicht, gevoel. Alle plaatjes en schilderijen ten spijt zijn het geen gevleugelde, vertederende figuren die op een wolkje een harp bespelen. Behalve bij de cherubs en serafs is nergens een aanwijzing te vinden dat engelen gevleugelde wezens zijn. Wel worden ze ‘krachtige helden’ genoemd (Ps. 103:20). Uitdrukkingen als ‘machten en krachten’ (1 Petr. 3:22) en een ‘sterke engel’ (Openb. 18:21) onderstrepen dat. Het zijn wezens die bij hun verschijning vaak vrees aanjagen en ontzag inboezemen. Tot bevreesde gelovigen spreken ze eerst een geruststellend woord, voordat ze hun boodschap brengen (Luk. 1:13, 30; 2:10; Matth. 28:2–5).

Een ander belangrijk kenmerk is hun gehoorzaamheid. Zonder enige tegenspraak doen zij ogenblikkelijk wat God hun opdraagt. Zij ‘volvoeren zijn woord, luisterend naar de klank van zijn woord’ (Ps. 103:20). In de hemel doen zij de wil van de Vader die in de hemelen is (zie Matth. 6:10). Het zijn ‘dienaren, die zijn wil volbrengen’ (Ps. 103:21). Het woord ‘dienaren’geeft prachtig de uitwerking van hun gehoorzaamheid aan. In Hebr. 1:7 worden ze ‘dienaars’ genoemd en iets verderop, in vs. 14, ‘dienende geesten’.

3. Engelen en de Heer Jezus

Engelen vereren?

In het hiervoor aangehaalde Hebr. 1 maakt Paulus in de verzen 5–14 een weergaloze vergelijking tussen de Heer Jezus en de engelen. In zeven aanhalingen uit het Oude Testament wordt de alles te boven gaande superioriteit van de Heer Jezus boven de engelen onweerlegbaar aangetoond. Dat was nodig vanwege de overdreven eer die Joden aan engelen gaven. Zij deden aan ‘engelenverering’ (Kol. 2:18). Dat is nou net wat een engel niet wil en ook niet accepteert. Engelen wijzen eerbetoon van mensen af (Openb. 19:10; 22:9). Ze noemen zichzelf een ‘medeslaaf’ van alle mensen die naar Gods woord luisteren. Met zulke mensen staan zij als slaven op gelijke voet; zulke mensen wijzen ook alle eerbetoon af (Hand. 10:25, 26; 14:15). Niet een schepsel moet aanbeden worden. Alleen God heeft er recht aanbeden te worden.

Engelen en het Jodendom

Paulus maakt de hierboven genoemde vergelijking omdat de gelovige Hebreeën, aan wie hij zijn brief richt, maar moeilijk los konden komen van het oude Joodse systeem. Dat systeem was ‘oud en verouderd en dicht bij de verdwijning’ (Hebr. 8:13) door de komst van Christus en zijn werk en hemelvaart. Nu vormden engelen een wezenlijk onderdeel van dat hele Joodse systeem. Zij waren zelfs betrokken bij de grondlegging ervan. Door middel van hen namelijk was de wet aan het volk gegeven (Hand. 7:53; Gal. 3:19; Hebr. 2:2). Ook verscheen de HERE (Jahweh) in het Oude Testament gewoonlijk in de gedaante van een engel: de Engel des HEREN (zie boven).

Door deze dingen waren engelen in de gedachten van de Jood na God de hoogste wezens in het heelal. Zij waren de uitverkoren boodschappers van de goddelijke wil. Nu leverde het voor hun denken een probleem dat een goddelijk Persoon Mens zou worden. Voor een Jood was een mens van veel lager orde dan een engel. En daarin had hij nog gelijk ook. Johannes wilde een engel aanbidden (Op. 19:10; 22:8, 9). Maar, zo zegt Paulus, Christus heeft als Mens een positie ingenomen veel hoger dan die van engelen.

Jezus: veel hoger dan de engelen

Vlak voordat hij met zijn vergelijking begint, zegt hij daarom dat Christus is ‘gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge, zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam geërfd heeft dan zij’ (Hebr. 1:3, 4). De Heer Jezus heeft als zijn eigen unieke erfdeel een naam die hoog uitsteekt boven die van engelen.

In de Bijbel geeft iemands naam vaak aan wat voor persoon die iemand is (vgl. Matth. 1:21; Hebr. 7:1, 2). In het geval van de Heer Jezus hier gaat het om een niet nader aangegeven naam. Dat betekent dat hier de ruimste toepassing gegeven kan worden aan wat de uitdrukking ‘naam’ inhoudt. De ‘naam’ omvat hier alle kenmerken van Christus. In de volgende verzen haalt Paulus enkele van die kenmerken naar voren, om het onderscheid met en verhevenheid boven engelen te laten zien. Hij doet dat aan de hand van wat de Joden in hun eigen oudtestamentische geschriften kunnen lezen. Door die vergelijking wordt weer meer over engelen helder.

Geen zoon

Hebr. 1:5a. Alleen tot de Heer Jezus heeft God gezegd dat Hij zijn Zoon is. Nooit heeft God dat tot één van de engelen persoonlijk gezegd. Engelen worden wel zonen van God genoemd (Gen. 6:2; Job 1:6), maar dat is in de zin van schepselen. Zo wordt ook Adam zoon van God genoemd (Luk. 3:38). Een engel staat met God alleen in verbinding als een schepsel tegenover zijn Schepper.

 

Geen persoonlijke relatie met de Vader

Hebr. 1:5b. Hier wordt de persoonlijke relatie van de Vader ten opzichte van de Zoon benadrukt. Van deze relatie geeft God een getuigenis, als Hij zegt: ‘U bent mijn geliefde Zoon, in U heb Ik welbehagen gevonden’ (Luk. 3:22). Zelfs ten aanzien van de meest voortreffelijke engel staat zo’n getuigenis nergens in de Schrift.

 

Zij aanbidden de Heer Jezus

Hebr. 1:6. Aanbidding komt alleen een goddelijk Persoon toe. ‘Alle’ engelen worden hiertoe opgeroepen, niet slechts enkele. Ze worden ‘engelen van God’ genoemd. Dat geeft aan dat deze schepselen Hem zeer na staan. Ook laat het zien dat zij instrumenten van zijn macht en regering zijn. Maar hoe bevoorrecht ze ook zijn: ze moeten de Eerstgeborene bij zijn komst in de wereld aanbidden. Daarom hebben ze bij zijn geboorte gejubeld (Luk. 2:13).

 

Gemaakt tot geesten en vuurvlam

Hebr. 1:7. De engelen zijn tot iets gemáákt, namelijk tot ‘geesten’ (of: ‘winden’) en een ‘vuurvlam’. Maar de Zoon is niet tot iets gemaakt. Terwijl Hij Zoon ís, worden engelen met niet meer dan de elementaire krachten van wind en vuur vergeleken. De boodschappers, deze onzichtbare wezens, zijn snel en onzichtbaar als de wind, maar hun werk is waar te nemen. Het zijn dienaren met een macht als vuur, vreselijk, schrikwekkend, verterend. Daarmee zijn engelen wel boven mensen verheven, maar de Zoon is oneindig ver boven de engelen verheven.

Regeren niet

Hebr. 1:8, 9. Het citaat toont de kenmerken van heerschappij en onvergankelijkheid. Centraal daarin staat de Zoon. Hij is niet tot iets gemaakt, zoals de engelen, maar God erkent Hem in wat Hij is: God. Hij heeft een troon die tot in alle eeuwigheid is. Het is een eeuwige troon omdat de grondslag ervan gerechtigheid is. Tronen van mensen hebben die grondslag niet en zijn daarom van tijdelijke aard. Bij zijn troon hoort een regering in rechtmatigheid. Engelen zitten niet op een troon. Zij staan voor de troon, klaar om te dienen.

Zijn en blijven schepselen

Hebr. 1:10–12. Dit vers begint met ‘En’ en sluit daarmee aan op het voorgaande vers. Het is een toevoeging op wat al over de Zoon is gezegd. De aanhaling komt uit Ps. 102, een psalm waarin Hij niet slechts als Mens wordt gezien, maar als Mens in de diepste vernedering en lijden en dood. Tegelijk echter wordt Hij door God erkend als de Maker van hemel en aarde. Vernederd als Hij dan mocht zijn, Hij was de Schepper, ook van de engelen. In tegenstelling tot zijn werken zou Hijzelf blijven. Er is een enorme tegenstelling tussen Schepper en schepping. De schepping zou veranderd worden, maar Hijzelf is de Eeuwige en Onveranderlijke.

Zitten nooit

Hebr. 1:13, 14. De Zoon heeft van God zijn eigen plaats aan de rechterhand van de majesteit in de hemelen gekregen. Nooit zal God tot de machtigste engel zeggen wat Hij zegt tot de Zoon: ‘Zit aan mijn rechterhand.’ De Zoon zit nu, terwijl engelen altijd staan (Luk. 1:19; Op. 8:2). Als Michaël en zijn engelen hebben gestreden tegen de draak en zijn engelen en hebben overwonnen (Openb. 12:7, 8), zullen zij terugkeren tot Gods tegenwoordigheid en daar gaan staan. Zij zullen hun plaats van dienstknecht weer nederig innemen en de volgende opdracht afwachten. Want zij zijn ‘allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die de behoudenis zullen beërven’.

Gezien door de engelen

Engelen zijn dus dienende geesten. Hun dienst aan mensen komt straks aan de orde. De dienst die zij aan de Heer Jezus verrichtten toen Hij als Mens op aarde was, verdient speciale aandacht. In 1 Tim. 3:16 staat in één vers een rijkdom aan heerlijkheid van de Heer Jezus die te maken heeft met zijn menswording. Daarin hebben de engelen ook een plaats. ‘En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de godsvrucht: Hij die geopenbaard is in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, gezien door de engelen, gepredikt onder de volken, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid.’ Elk onderdeel van dit vers is de moeite waard om langer bij stil te staan. In het kader van deze studie gaat het echter alleen om de vermelding‘gezien door de engelen’.

Engelen hadden nooit hun Schepper gezien. God immers bewoont een ontoegankelijk licht (1 Tim. 6:16). Van de serafs lezen we dat zij met twee vleugels hun aangezicht bedekken (Jes. 6:2), omdat het hun onmogelijk is iets van dat alles verblindende licht van God te zien. Maar als de Heer Jezus geboren is, zien zij hun Schepper. Groot zal hun verbazing zijn geweest dat Hij Mens was geworden. Ze hadden in hun dienst op aarde toch al heel wat gezien van de mens en dat moet hun geen opwekkend beeld hebben gegeven. Maar als Hij geboren is zijn ze er. Eén engel verkondigt grote blijdschap. Als hij uitgesproken is, is er ‘met de engel een menigte van een hemelse legermacht, die God prees en zei: Heerlijkheid zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen van zijn welbehagen’ (Luk. 2:8–14).

Engelen dien(d)en de Heer Jezus

Als de Heer Jezus is opgegroeid en zijn dienst gaat beginnen, wordt Hij eerst nog 40 dagen verzocht door de duivel. Hij doorstaat die verzoekingen glansrijk. ‘Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem’ (Matth. 4:11). Toen Hij in Gethsemane was, kwam ‘een engel uit de hemel die Hem sterkte’ (Luk. 22:43). Als Hij vlak daarop gevangen genomen wordt, blijkt hoe Hij Zich bewust is van een engelenmacht waarop Hij een beroep kan doen (Matth. 26:53). Hij spreekt over ‘meer dan twaalf legioenen engelen’. Dan praten we wel even over 72.000 engelen. Bedenk daarbij dat één engel eens in één nacht 185.000 man doodde (Jes. 37:36). Dat betekent dat deze engelenmacht in staat was de totale huidige wereld tweemaal te verdelgen. Reken maar dat deze engelen ademloos hebben toegezien hoe nietige schepseltjes met hun Schepper handelden. Reken maar dat één zucht van de Heiland voldoende was om hen te doen toeschieten om hun Schepper te ontzetten.

Een engel rolde na de opstanding van de Heiland de steen van het graf weg (Matth. 28:2). Deze engel getuigde tegenover de vrouwen van de opstanding van de Heer Jezus (Matth. 28:6). Engelen waren erbij toen Hij naar de hemel terugkeerde (Hand. 1:10). Zij zullen erbij zijn, wanneer Hij terugkeert naar de aarde (2 Thess. 1:7).

4. Dienende geesten

Engelen en mensen

Engelen zijn dus dienende geesten. Het is te begrijpen dat zij met grote vreugde de Heer Jezus hebben gediend. Maar dienen zij ook met vreugde falende en zwakke gelovigen? Jazeker, omdat het hun vreugde is God te dienen. En als God hun de opdracht geeft, falende en zwakke gelovigen te helpen, doen ze dat graag. Hun taken zijn veelomvattend. Hun werk is niet saai. Ze krijgen de meest uiteenlopende opdrachten:

Bericht brengen

Soms moeten ze een boodschap afleveren. Abraham krijgt bezoek van drie engelen. Het zijn drie mannen. Abraham krijgt te horen dat Sara en hij een zoon zullen krijgen. In de loop van het verhaal (Gen. 18) wordt duidelijk dat Eén van de drie de HERE Zelf is. Dan gaan twee van de mannen verder, terwijl de HERE bij Abraham blijft om hem te vertellen wat Hij gaat doen (Gen. 18:16, 17). De twee andere mannen gaan naar Sodom. In Gen. 19:1 staat: ‘En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom.’ Duidelijk dus dat Abraham engelen op bezoek heeft gehad. Nu gaan ze naar Lot. Voor hem hebben ze ook een boodschap. Die liegt er niet om. Maar het is een boodschap om zijn bestwil. Abraham en Lot behoren beiden tot de categorie ter wille van wie engelen worden uitgezonden. Beiden zullen ze de behoudenis beërven. In Hand. 8:26 heeft een engel een boodschap voor Filippus.

Oordelen

Soms moeten ze oordeel uitoefenen. Dat heeft Herodes ondervonden. Hij meende goddelijke eer te kunnen aanvaarden. ‘En onmiddellijk sloeg een engel van de Heer hem, omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en stierf’ (Hand. 12:23; zie ook Openb. 16:1v).

Versterken

Soms worden ze uitgezonden om vermoeide dienstknechten op krachten te brengen (1 Kon. 19:5). Zoals gezegd kwam ook bij de Heer Jezus ‘een engel uit de hemel die Hem sterkte’, toen Hij in Gethsemane was (Luk. 22:43). In de andere evangeliën wordt niet over een engel in Gethsemane gesproken. Dat de engel wel door Lukas wordt vermeld, past bij de wijze waarop Hij over de Heer Jezus schrijft. Hij stelt Hem namelijk voor als waarachtig Mens. De engel sterkt Hem alleen maar lichamelijk, niet door Hem moed in te spreken.

Bescherming

Soms gaat een heel leger mee om leden van Gods volk te beschermen, om hen door hun aanwezigheid te bemoedigen. Jakob doet die ervaring op als hij op de vlucht is voor zijn broer Ezau (Gen. 32:1). Elisa bemoedigt zijn bange knecht door hem een blik te gunnen in de ‘hogere wereld’ (2 Kon. 6:17).

Verlossing

Soms verlossen ze gevangen genomen dienstknechten van God. God zendt ze met die opdracht uit, als Hij vindt dat deze dienstknechten Hem beter in vrijheid kunnen dienen (Hand. 5:19, 20; 12:5–11). Andere dienstknechten laat Hij in de gevangenis. Hij laat het zelfs soms toe dat ze worden gedood (Hand. 12:2). God blijft vrijmachtig in zijn gebruik van engelen. Engelen zijn niet voor gelovigen ‘afroepbaar’.

Dienst na ontslapen

Zij brengen ontslapen gelovigen in de gelukzaligheid bij God. ‘Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham’ (Luk. 16:22). Niets wijst erop dat de Heer Jezus met de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus een verzonnen verhaal vertelt. Hij laat hier de werkelijkheid zien van wat er gebeurt als iemand sterft.

Verschijning van engelen in de Bijbel

Eén van de meest gestelde vragen over engelen is wel die naar hun verschijning. Dat mag ook, want er zíjn engelen verschenen. Ze zijn verschenen aan Abraham en ook aan Lot. Hoe? Als gewone mensen, aan wie niet te zien was dat ze engelen waren (Gen. 18:16, 17; 19:1). Door hun gastvrijheid te bewijzen, hebben zowel Abraham als Lot ‘onwetend engelen gehuisvest’ (Hebr. 13:2). Bent u een gelovige en hebt u nooit een engel gezien? Bewijs maar gastvrijheid en voor de rechterstoel van Christus zal duidelijk worden hoeveel engelen u hebt gezien zonder ze als zodanig te herkennen (vgl. Matth. 25:34–40).

In Matth. 28:3 verschijnt op de opstandingsmorgen een engel bij het graf van de Heer Jezus van wie ‘de gedaante nu was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw’. Dat maakt meer indruk dan een engel die als een onopvallende mens verschijnt: ‘Uit bangheid voor hem nu beefden de wachters en werden als doden.’ Maar niet alleen ongelovige soldaten worden bang. Zijn gedaante boezemt ook de vrouwen angst in, maar hen stelt de engel gerust ( Matth. 28:4, 5; vgl. Luk. 1:12; 2:9; Dan. 8:17). Bij de hemelvaart is sprake van ‘twee mannen… in witte kleren’ (Hand. 1:10). Cornelius beschrijft de engel van God die hem bezocht (Hand. 10:3) als ‘een man… in een prachtig kleed’ (vs. 31). Engelen kunnen dus onopvallend verschijnen en ze kunnen opvallend verschijnen, met de uitstraling van een engel (vgl. Hand. 6:15). Als ze opvallend verschijnen is er vaak vrees, grote vrees zelfs. Engelen komen uit de heiligheid van God. Mensen die met hemelwezens in aanraking komen, roepen het ‘wee over zichzelf uit (Richt. 6:22; Jes. 6:5; Dan. 8:16, 17; Luk. 2:9).

Engelen kunnen ook in een droom verschijnen (Matth. 1:20; 2:13). Mogelijk dat het spreken van de Heer tot Paulus in een gezicht ook door een engel is geweest (Hand. 18:9). De grenzen zijn niet altijd even duidelijk te trekken. Dat hoeft ook niet, want de engelen zijn zo één met hun boodschap dat hun spreken als het spreken van God kan worden aangemerkt.

Verschijning van engelen buiten de Bijbel

Veelal vindt men het aardig te weten wat engelen doen. Het is verhelderend te zien wat er zoal over engelen in de Bijbel staat. Maar het is best mogelijk dat een lezer bij zichzelf zegt: maar dat alles boeit me toch niet zozeer als de vraag naar hun verschijning. Nieuwsgierig vraagt men zich af: Wat kan een engel in mijn leven betekenen? Als ik er maar eens één keer eentje zou mogen zien, dan zou dat mijn geloofsleven toch wel erg versterken. Hoe kan ik hem zien of waarin kan ik hem opmerken?

Nu zijn de verhalen over engelenverschijningen legio. De persoon die zegt er één te hebben gezien, kan daar veel of weinig ophef over maken. Of het een werkelijke verschijning is geweest? Feit is dat het een persoonlijke ervaring betreft. Die is door anderen niet te controleren. Een persoonlijke ervaring is ook niet te bestrijden. Maar wat moet ík ermee? Moet ik, die nooit een dergelijke ervaring heb gehad, daarnaar gaan verlangen? Moet ik me misdeeld voelen, als een dergelijke ervaring uitblijft?

De Bijbel contra ervaring

Het is voor het geloofsleven levensgevaarlijk naar een verschijning van engelen als een speciale ervaring te gaan verlangen. Ik zeg niet dat ervaring geen rol speelt in het geloof. Wie zijn geloof niet beleeft, ervaart, heeft een dood geloof. Nee, ik bedoel een verlangen naar meer, naar iets waarvoor de Schrift ons waarschuwt: het indringen in de onzichtbare wereld (Kol. 2:18). Wie dit doet, speelt de duivel enorm in de kaart. Hij weet dat hij daarmee de gelovigen kan weglokken van de vaste bodem van de Schrift. Wie ervaringen een rol wil laten spelen naast de Schrift, komt terecht in het drijfzand van het menselijk gevoel. Dat gebeurt vaak via het proces van de geleidelijkheid. Zonder dat men het in de gaten heeft, verwijdert men zich steeds meer van de Schrift, men raakt de weg kwijt en komt ten slotte om in het moeras.

We moeten ervaring niet belangrijker maken dan geloof. We moeten geloof ook niet afhankelijk maken van ervaring. Geloof richt zich op God en op zijn Woord. God is de God van de waarheid, zijn Woord is de waarheid, los van onze ervaring. Het geeft juist de kracht van het geloof aan dat we God en zijn Woord vertrouwen, ook al ervaren we bepaalde dingen niet. Het geloof zegt: Wij weten! God wenst dat wij onze hoop alleen op Hem, op de Heer Jezus en op zijn Woord vestigen en niet op engelenervaringen of welke ervaring dan ook.

Beschermengelen?

Een woord over ‘beschermengelen’ mag niet ontbreken. De gedachte aan beschermengelen is ontstaan naar aanleiding van een woord van de Heer Jezus in Matth. 18:10. Daar waarschuwt Hij om vooral ‘niet één van deze kleinen’ te verachten. ‘Want’, voegt Hij er aan toe ‘Ik zeg u dat hun engelen in de hemelen altijd het aangezicht zien van mijn Vader die in de hemelen is.’ Maar is het wel juist om hieruit de conclusie te trekken dat kinderen ieder een eigen ‘beschermengel’ hebben?

Het is zeker waar dat kinderen de speciale aandacht van de Heer Jezus hebben. Uit Matth. 2:13, 19 kan zelfs worden opgemaakt dat de Heer Zelf als Kind de bescherming van een engel genoot. Maar het genieten van een speciale zorg betekent nog niet dat ieder kind of ieder mens een speciale engel bij zich heeft om hem te beschermen.

Het lijkt in Matth. 18 ook niet om kleine kinderen te gaan. De Heer spreekt in vers 6 en 10 niet over kinderen, maar over kleinen. ‘Klein’ ziet hier niet op leeftijd of lichaamslengte, maar heeft de betekenis van ‘gering’ of ‘ootmoedig’ en wijst op ‘klein van zichzelf denken’. De Heer bedoelt hier met ‘deze kleinen’ zijn discipelen. De engelen zijn hier eerder wezens die deze kleinen permanent voor de Vader vertegenwoordigen, oftewel hun bestaan onder de aandacht van de Vader brengen. Als er al sprake is van bescherming in dit gedeelte, is dat bescherming van de kant van de Vader en niet van de engelen. De kleinen mogen dan op aarde veracht zijn, maar hemelse vertegenwoordigers van deze kleinen zijn permanent in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, de Vader. Daaraan ontlenen engelen dan ook het gezag van hun dienst. Hun dienst geldt de kleinen (Hebr. 1:14).

Engelen zijn geesten

Een andere verklaring is dat de ‘engelen’ van de ‘kleinen’ de geesten van de kleinen zijn na hun dood. Na hun dood zien deze kleinen altijd het aangezicht van de hemelse Vader. ‘Veracht die kleinen niet’, zegt de Heer, ‘want hun bestemming is de onbedekte heerlijkheid van de tegenwoordigheid van de Vader.’ Deze verklaring past ook bij wat in Hand. 12 in verband met Petrus te lezen is.

Als Petrus uit de gevangenis is bevrijd door een engel, gaat hij naar het huis van Maria. Daar zijn de gelovigen voor hem aan het bidden. Hij klopt op de deur. Rhodé, het dienstmeisje hoort bij de deur de stem van Petrus. Ze is zo blij dat ze, in plaats van open te doen, vlug weer naar binnen loopt om te zeggen dat Petrus voor de deur staat. Hoewel ze de hele nacht voor hem hebben gebeden, geloven ze haar niet. Ondanks haar verzekering dat het echt Petrus is, zeggen ze: ‘Het is zijn engel’ (Hand. 12:15). Dit woord heeft het idee versterkt dat God iedere gelovige van een eigen engel heeft voorzien. Maar dat is niet de betekenis van wat de gelovigen ten aanzien van Petrus zeggen. Zij bedoelen zijn ‘geest’.

In zijn onderwijs leert de Heer Jezus dat de gelovigen in de opstanding zullen zijn ‘als engelen in de hemel’. Daarbij wijst Hij erop dat engelen niet trouwen (Matth. 22:30) en niet meer sterven (Luk. 20:36). Dit onderwijs van de Heer lijkt de mogelijkheid te onderstrepen om bij ‘de engelen van de kleinen’ en bij ‘de engel van Petrus’ aan hun ‘geest’ na hun dood te denken.

In dienst van God, ten dienste van de mens

Het zal duidelijk zijn geworden dat engelen wel ten dienste van mensen worden gebruikt, maar in dienst van God staan. Gód bepaalt hun werk. Als Hij het nodig vindt dat een engel, in welke gedaante ook, één van zijn kinderen beschermt of helpt, is dat opdat Híj daarvoor geëerd wordt. Dat was de reactie van Petrus, toen een engel hem uit de gevangenis bevrijdde. Als de engel klaar is met zijn werk, verdwijnt hij. Dan komt Petrus tot zichzelf en zegt: ‘Nu weet ik waarlijk, dat de Heer zijn engel heeft uitgezonden en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden’ (Hand. 12:11). De Héér heeft het gedaan. Hij krijgt de eer, niet de engel.

Overal waar engelen bezig zijn in de mensenwereld, is dat met het oog op uiterlijke omstandigheden. Ze beschermen, helpen, verhinderen, bevrijden, oordelen, wijzen de richting aan, begeleiden, verkondigen een aanstaande gebeurtenis, geven opdrachten tot handelen of spreken. In dit alles ligt een grote bemoediging voor de gelovige.

Op weg naar de behoudenis

Engelen helpen de gelovigen in hun weg op aarde. Het einddoel van die weg is ‘de behoudenis’ (Hebr. 1:14). Daarmee wordt het duizendjarig vrederijk bedoeld. Nu is alles op aarde nog in wanorde en chaos. Dat komt door het wanbeleid en het wangedrag van de mens. Dan zal er vrede zijn. Dat komt omdat de Heer Jezus dan regeert. En allen die bij Hem horen, zullen mogen genieten van de zegen die van Hem uitgaat.

Nu is het nog niet zover. Het bestuur over de wereld ligt nog bij de satan. Hij is ‘de god van deze eeuw’ (2 Kor. 4:4) en ‘de overste van deze wereld’ (Joh. 12:31). Hij stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat de gelovigen het zicht op die toekomstige behoudenis kwijtraken. Hij wil hen daartoe ontmoedigen en in moeilijke situaties brengen, zodat ze hun vertrouwen in God opzeggen.

Paulus’ zeereis als illustratie

Paulus verkeerde in zo’n moeilijke situatie aan boord van een schip dat dreigde te vergaan. Hij was op weg naar Rome. Daar moest hij voor de keizer verschijnen. Zou dat nu niet verhinderd worden? Dan krijgt hij bezoek van een engel van God. Hij getuigt ervan tegenover alle schepelingen: ‘Want vannacht stond bij mij een engel van de God van Wie ik ben, die ik ook dien, en hij zei: Wees niet bang, Paulus, u moet voor de keizer verschijnen; en zie, God heeft u allen geschonken die met u varen’ (Hand. 27:23, 24). Naar aanleiding van dit woord spreekt hij de schepelingen moed in. En let erop dat Paulus over die engel verder geen woord zegt. In zijn bemoediging zegt hij: ‘want ik geloof God, dat het zo zal gaan als tot mij is gesproken’ en niet: ik geloof die engel. Deze geschiedenis eindigt dan ook met de woorden: ‘En zo gebeurde het dat allen behouden aan land kwamen’ (Hand. 27:44).

In de bootreis van Paulus kunnen we een beeld zien van de levensreis van de christen. Evenals in de reis van Paulus, spelen engelen ook een rol in de reis van de christen. God zet zijn engelen in op momenten waarop Hij dat nodig vindt en op een wijze die bij de situatie past. De christen zal in alle dingen die hem op zijn reis naar ‘de behoudenis’ overkomen, de hand en de stem van God willen herkennen.

Afwezige engelen

God zet engelen in. Ze spelen een rol in de reis van de christen. Wil dat nu zeggen dat God de zijnen altijd uit alle moeilijkheden verlost en daarbij zijn engelen gebruikt? Dat is te simpel gedacht.

In Hand. 12. wordt Petrus door een engel bevrijd. Maar in het begin van dat hoofdstuk staat dat Jakobus met het zwaard wordt gedood. Letten de engelen even niet op? Kijk nog eens naar Paulus. In Hand. 27 zagen we dat hij op het schip bezoek kreeg van een engel. Maar in het volgende hoofdstuk verblijft hij minstens twee jaar in gevangenschap in Rome. Geen engel verschijnt om hem te bevrijden. Konden de engelen hier niets aan doen? En als hij later ter dood wordt veroordeeld, komt er geen engel om de hand van de beul tegen te houden. Sindsdien zijn talloze christenen in gevangenissen geworpen, wreed gepijnigd en ten slotte op meedogenloze wijze ter dood gebracht. Er kwamen geen engelen om hen te verlossen. Ook in het Oude Testament vinden we hoe God sommigen door middel van engelen beschermt (Dan. 6:23). Maar vele andere gelovigen zijn omgekomen (Hebr. 11:35–38), zonder dat engelen toeschoten om hen te bevrijden. Was dat uit gebrek aan interesse?

Natuurlijk niet. Engelen hebben de grootste belangstelling voor wat er in het leven van gelovigen gebeurt. Zoals legioenen klaar stonden om toe te schieten op één zucht van de Heer Jezus (Matth. 26:53), zo stonden en staan ze klaar voor elke gelovige die hun hulp nodig heeft. Maar zíj bepalen niet wat het beste voor de leden van Gods volk is. Dat bepaalt God. Daarbij is alles wat de engelen zien in het leven van lijdende gelovigen onderwijs voor hen. Ze leren daaruit wat God kan bewerken in zwakke mensen die op Hem vertrouwen.

5. Engelen en de gemeente van God

Engelen en de liefde van God

De positie van engelen is dicht bij God. Hun kracht gaat die van de mens ver te boven. Ze zijn gehoorzaam, zij voeren hun taken direct en perfect uit. Ze handelen met wijsheid, weloverwogen. Hun verschijning wekt ontzag. Zij zijn nederig, ze wijzen elk eerbetoon af dat de mens hun wil geven. Zij wijzen op de Enige die recht heeft op aanbidding. Zelf aanbidden ze ook God (Neh. 9:6). Zij huldigen Hem die hen heeft geschapen. Maar nergens lezen we over de liefde van engelen tot God of de liefde van God voor engelen. Een betrekking van liefde is voorbehouden aan de Godheid.

Van eeuwigheid bestond er een relatie van liefde tussen Goddelijke personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In die liefde heeft God ook een plaats gegeven aan allen die in de Zoon geloven als de Heiland die voor hen wilde sterven. De Heer Jezus is niet voor engelen gestorven, maar voor zondige mensen. ‘Want inderdaad, niet engelen neemt Hij aan, maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan’ (Hebr. 2:16). Het nageslacht van Abraham zijn allen die hetzelfde geloof als Abraham bezitten in een God die leven uit de dood geeft en die aan dat leven deel hebben gekregen.

Engelen kijken naar de gemeente

Allen die na de dood en de opstanding en de hemelvaart van de Heer Jezus in Hem geloven, behoren bij de gemeente. De gemeente is ontstaan door de uitstorting van de Heilige Geest, Die door de Heer Jezus na zijn hemelvaart naar de aarde is gezonden (Joh. 16:7 e.a.p.). Daardoor zijn die gelovigen ‘tot één lichaam gedoopt’ (1 Kor. 12:13). Voor de gemeente hebben de engelen een bijzondere belangstelling. Door de gemeente namelijk wordt ‘aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten [dat zijn de engelen, zowel goede als boze]… de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt’ (Ef. 3:10).

De engelen hebben Gods wijsheid gezien in de schepping en daarover gejubeld (Job 38:7). Ze hebben ook gezien dat God mensen schiep en dat de mens de bijzondere aandacht van God genoot en dat Hij met die mens zijn wegen ging. Ze hebben zich erover verwonderd hoe God met de opstandig geworden mens heeft gehandeld. Maar nu heeft diezelfde God iets laten zien dat nog onbekend was: dat Hij in de toekomst alle dingen onderwerpt aan Christus en de gemeente. Dit was in Gods hart verborgen, maar wordt nu door het bestaan van de gemeente aan de engelen bekendgemaakt.

Engelen zien de wijsheid van God

In wat de goede en boze engelenmachten nu aan wijsheid zien als zij naar de gemeente kijken, daarvoor hebben ze geen woorden. Deze wijsheid is zo uniek, dat zij alle andere wijsheden overtreft. Het is de ‘veelvoudige wijsheid van God’, dat wil zeggen een wijsheid in alle mogelijke heerlijke aspecten. En die wijsheid wordt gezien in allen die samen de gemeente vormen.

Dat God almachtig en vrijmachtig is, dat wisten de engelen wel. Als God mensen boven de engelen wilde zetten was dat zijn soevereiniteit, zijn vrijmacht. Hij is almachtig en kan dat doen. Maar de wijze waarop God dat doet, openbaart zijn wijsheid en daarom gaat het hier. Hij handelt niet alleen in almacht, maar doet het op een volkomen rechtvaardige wijze en in overeenstemming met alles wat Hij in Zichzelf is: de volmaakte openbaring van liefde en van licht.

De Heer Jezus door God beloond

Als Hij de gemeente zo behandelt, is Hij daarmee niet onrechtvaardig tegenover een van zijn andere schepselen of in strijd met iets dat bij Hemzelf was. De engelen hadden in de schepping een hogere plaats dan de mens. Is het onrechtvaardig dat Hij nu nietige, ongehoorzame schepselen, die de Schepper naar het kruis gebracht hebben, een plaats geeft boven die engelen die Hem altijd trouw gediend hebben en nooit iets gedaan hebben wat Hij niet wilde? Nee, want het werk dat daarvoor nodig was, is door de Heer Jezus als Mens verricht op het kruis. Daar heeft Hij alles wat God is als licht en als liefde geopenbaard. Hij heeft Gods haat tegen de zonde en zijn liefde voor de zondaar in al zijn aspecten getoond. Daar heeft Hij alles hersteld wat door het werk van satan en diens engelen kapot was gemaakt. Daar heeft Hij de weg vrijgemaakt voor God om al zijn raadsbesluiten te gaan vervullen. God heeft Hem daarvoor beloond met een plaats boven alles en daar de gemeente met Hem ééngemaakt (Ef. 1:20–23). De engelen zien dat en erkennen hierin Gods veelkleurige wijsheid.

Ter wille van de engelen

In de Bijbel wordt de gemeente ook vergeleken met een vrouw. De vrouw mag als persoon tegenover de man als persoon tot uitdrukking brengen wat de gemeente is tegenover Christus. Dit voorrecht mag zij laten zien door haar houding van onderdanigheid aan haar man: ‘Maar zoals de gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan hun mannen in alles’ (Ef. 5:24).

Die houding van onderdanigheid laat zij ook zien door een uiterlijk teken: ‘Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen’ (1 Kor. 11:10). Een macht is een teken van het gezag waaronder zij staat. Om dat te tonen draagt zij een hoofdbedekking als zij bidt of profeteert. Zij doet dat ‘ter wille van de engelen’ van wie in Ef. 3:10 opgetekend staat dat zij met de grootste belangstelling naar de gemeente kijken. En als vrouwen de gemeente voorstellen, is het van de grootste betekenis dat zij de engelen daarvan een juiste en niet een verkeerde indruk geven.

Niet cultuur- of tijdgebonden

Daarom is het zo tragisch dat het dragen van een hoofdbedekking, in de gevallen waarin God dat wenst, steeds meer verdwijnt. Vaak gebeurt dat met het argument dat het een achterhaald, cultuurgebonden verschijnsel betreft. Maar dat is een schromelijke vergissing en een grove misleiding. De scheppingsorde van God is niet cultuur- of tijdgebonden. God mag toch zeker nog wel in zijn schepping de orde bepalen (1 Kor. 11:3) en hoe die gehandhaafd en zichtbaar gemaakt moet worden? Zich daaraan te houden is tot zijn eer en tot zegen van de mens. De hoofdbedekking en het lange haar van de vrouw maken haar tot een zichtbaar getuigenis van de onzichtbare gemeente.

Helaas is het de duivel gelukt de kracht van dit getuigenis tot bijna nul te reduceren. Dat dit bij vrouwen van de wereld lukt, hoeft geen verbazing te wekken. Maar dat hij zoveel succes heeft bij gelovige vrouwen, dat is pas pijnlijk. Zijn er nog vrouwen die ernaar verlangen dit getuigenis, dat ongetwijfeld smaad met zich meebrengt, af te leggen? Zijn er nog mannen die (hun) vrouwen hierin stimuleren (niet: dit als een juk opleggen)? De vrouw die serieus gelooft dat er engelen zijn, wil toch aan hen een goed beeld van de gemeente laten zien?

Wat engelen nog meer zien

Mensen willen graag engelen zien. Mensen hebben wel eens engelen gezien. God komt echter niet tegemoet aan de ongezonde nieuwsgierigheid van de mens, maar wel aan de gezonde nieuwsgierigheid van engelen. Engelen op hun beurt willen namelijk ook graag iets zien, iets ontdekken als zij naar mensen kijken. Er is al op gewezen hoe zij naar de gemeente kijken om daarin de veelkleurige wijsheid van God op te merken. Ze verlangen er ook naar iets te zien van de uitwerking van het evangelie. Aan het evangelie zelf hebben zij geen deel. Maar ze verlangen ernaar de dingen te zien die in het evangelie zijn aangekondigd. Dat zijn de ‘dingen waarin engelen begerig zijn een blik te werpen’ (1 Petr. 1:12).

De predikers van het evangelie hebben aan zondaars de boodschap van redding gebracht. Met het oog op redding van zondaars hebben ze gesproken over het lijden van Christus en van de heerlijkheden daarna (1 Petr. 1:11). Deze boodschap moet voor de uitverkoren engelen een wonder zijn geweest. Zij zijn zelf in een toestand van vlekkeloze reinheid en bevinden zich in een sfeer van stralende heerlijkheid. Nu zien zij dat die sfeer van heerlijkheid wordt opengesteld voor zwakke, zondige, opstandige, sterfelijke schepselen. De enige aanleiding dat deze schepselen in die omgeving kunnen binnengaan, is de genade van God die bewezen wordt op grond van het lijden van Christus.

Engelen als toeschouwers

Is het een wonder dat de engelen er zo sterk naar verlangen in deze dingen in te blikken? Zij zijn slechts toeschouwers van de genade, geen deelnemers aan de genade. Toch staan ze verbaasd bij het aanschouwen van de uitwerking van de genade van God in zondige mensen.

Maar er is nog meer waar zij naar kijken. Ze kijken ook naar het gedrag van hen die in de gemeente een speciale opdracht te vervullen hebben: ‘Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid’ (1 Tim. 5:21). En Paulus is zich bewust dat engelen naar hem en zijn medewerkers kijken. Hij stelt zichzelf tot een voorbeeld aan de Korinthiërs. Die waren uit op erkenning door de wereld en wilden invloed uitoefenen op het bestuur van de wereld. Maar, zegt Paulus, dat is niet onze opdracht: ‘Wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld en voor engelen en voor mensen’ ( 1 Kor. 4:9). Dat is wat anders dan heersen en regeren en politieke invloed uitoefenen.

Wat ziet de wereld, wat zien engelen en mensen van christenen? Zien engelen dat zij zich met hun hele leven aan Christus toewijden en de smaad van de wereld voor lief nemen?

6. De gevallen engelen

Demonen en hun invloed

Het is noodzakelijk de aandacht ook te richten op de gevallen engelen oftewel demonen. We leven namelijk in een wereld waarin wij omringd zijn door demonische machten, die een geweldige invloed op de mensen uitoefenen. Voor de gelovigen hoeven zij gelukkig geen oorzaak van angst te zijn. Christenen mogen weten dat de Heer Jezus aan het kruis in beginsel hun macht gebroken heeft. ‘En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd’ (Kol. 2:15; Hebr. 2:14; 1 Joh. 3:8). Alleen wanneer zij zich bewust met deze machten inlaten, kunnen demonen hun invloed in het leven van gelovigen doen gelden.

Het machtsgebied van satan en zijn engelen

Als Paulus satan ‘de overste van de macht der lucht’ noemt (Ef. 2:2) dan bedoelt hij met ‘lucht’ de demonenwereld. Het machtsgebied van de demonen is ‘de duisternis’ (Ef. 6:12). Als het ogenblik is aangebroken dat de Heer Jezus Zichzelf gevangen laat nemen, zegt Hij tegen de menigte die Hem gevangen komt nemen: ‘Dit is uw uur en de macht van de duisternis’(Luk. 22:53). Alle geestelijke duisternis die er in de wereld is, wordt beheerst door demonen. Daarom wordt satan de ‘overste van deze wereld’ en ‘de god van deze eeuw’ genoemd (Joh. 12:31; 2 Kor. 4:4).

Deze demonen hebben nog steeds een zekere ruimte om hun boze activiteiten te ontwikkelen. Het betreft ‘een zekere ruimte’ omdat ook de satan en zijn engelen niet meer kunnen doen dan God toestaat. Satan geeft dat ook toe in het geval van Job. Daar spreekt hij over een beschutting om Job en zijn huis (Job 1:10), waar satan niet doorheen kan komen. Alleen wanneer God het toestaat, kan satan iets tegen Job ondernemen. Maar ook dan bepaalt God de grens (vs. 12).

Al gebonden engelen

Er zijn ook andere demonen die deze ruimte om hun verderfelijk werk te doen niet meer hebben. Deze gevallen engelen heeft God ‘in de afgrond [Tartarus] geworpen en overgeleverd aan ketenen van donkerheid om tot het oordeel bewaard te worden’ (2 Petr. 2:4). Het gaat hier om engelen ‘die hun oorsprong niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben’ (Jud. :6). In deze beide teksten wordt dus niet over alle gevallen engelen gesproken. Het betreft een bepaalde groep die op een bepaalde manier gezondigd heeft en daarvoor nu al wordt gestraft.

Van deze engelen wordt gezegd dat zij ‘hun eigen woonplaats verlaten hebben’. Dat wil zeggen dat zij hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard. God heeft in zijn scheppingsorde ieder soort schepselen hun eigen plaats gegeven. Geen schepsel heeft het recht voor zichzelf daaraan iets te veranderen. Deze engelen hebben dat recht wel genomen. Hoe ze te werk zijn gegaan, staat in Gen. 6. Het verslag luidt: ‘De zonen Gods zagen dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen’ (vs. 2). In het Oude Testament is ‘zonen Gods’ de naam voor engelen, nooit voor mensen. Anders zou trouwens ook de tegenstelling ‘zonen Gods’ en ‘dochters der mensen’ geen zin hebben.

Een extra verdorven zonde

Deze engelen gaven er de voorkeur aan een plaats onder de mensen in te nemen en te handelen alsof ze mensen op aarde waren. Deze openlijke opstand tegen God, tegen zijn door Hem ingestelde orde, kon Hij niet ongestraft laten. Al wat op de aarde leefde, heeft Hij door de zondvloed omgebracht. Die engelen ‘heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard’ (Jud. :6).

Er is dus verschil tussen deze engelen en satan en zijn engelen. Satan en zijn volgelingen verhieven zich in de hoogmoed van hun harten tot God (1 Tim. 3:6; Jes. 14: 13). Als een extra zonde, die van een nog diepere verdorvenheid van deze wezens getuigt, verlaagde een deel van de engelen van satan zich in de boosheid van hun hart tot de mens. Het tekent ook de diepe verdorvenheid van de mens die zich met deze gevallen wezens inliet. Judas vergelijkt het gedrag van deze engelen in het volgende vers met Sodom en Gomorra: ‘Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achterna gingen’ (Jud. :7). Sodom en Gomorra zijn door God verwoest vanwege hun seksuele ontaarding. Uit alles blijkt hoe afschuwelijk God het vindt wanneer zijn schepselen in opstand komen tegen de orde die Hij in de schepping heeft aangebracht.

Kenmerken van demonen

Satan en zijn engelen zijn bij hun val hun wil, gevoelsleven en grote intelligentie niet kwijtgeraakt. Overal wordt in de Bijbel hun sluwheid en inzicht benadrukt. Zij kennen Jezus, ze buigen zich voor Hem en erkennen Hem als de Zoon van de Allerhoogste, de Heilige van God (Mark. 1:24; 5:6, 7; Luk. 4:34). Maar nooit noemen ze Hem ‘Heer’. Tot die erkenning zullen ze in de toekomst gedwongen worden (Fil. 2:10, 11). Demonen geloven dat God één is, dat wil zeggen, ze belijden dezelfde waarheid als de Joden doen. Maar dat geloof is slechts een intellectueel geloof. Het bewerkt bij de demonen slechts siddering (Jak. 2:19). Ze erkennen dat er geen gemeenschap kan zijn tussen de Heer Jezus en hen (Luk. 8:28). Ze erkennen zijn gezag als zij Hem om een gunst vragen (Luk. 8:31). Ze gehoorzamen als Hij gebiedt uit mensen te varen (Mark. 1:25, 26; 9:25, 26).

Demonen geven een enorme kracht aan iemand die in hun macht is (Mark. 5:3, 4; Hand. 19:15, 16). Ook bezorgen zij hun slachtoffers een drang tot zelfbeschadiging of zelfvernietiging (Mark. 5:5). Ze zijn zich bewust dat hun eeuwige bestemming pijniging en verderf is (Matth. 8:29; Luk. 4:34; Openb. 12:12). Hun enige doel is zoveel mogelijk mensenlevens te vernielen (Luk. 9:39; Joh. 10:10; 1 Petr. 5:8) en mee te slepen naar hun eeuwige bestemming (Matth. 25:41). Mensen gaan verloren omdat in hen ‘de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, hen niet zou bestralen’ (2 Kor. 4:4).

Satan heeft ervaring met de mens

Satan is niet alwetend. Demonen zijn niet alwetend. Ze kunnen geen gedachten lezen of in het hart van een mens kijken. Dat kan alleen God, voor Wie alle dingen naakt en geopend zijn (Hebr. 4:13). Maar ze hebben wel een eeuwenlange ervaring in hun omgang met mensen. Ze weten precies hoe mensen reageren op bepaalde dingen. Vergelijk het maar met mensen die door waarneming en omgang met dieren weten hoe die dieren ergens op reageren. Sluw als ze zijn, spelen satan en zijn engelen handig in op de begeerten van de mens. Daardoor is de zonde in de wereld gekomen.

De duivel heeft al zijn ervaring ingezet, al zijn listen uitgeprobeerd, om de Heer Jezus tot zonde te verleiden. Zonder het kleinste succesje te hebben geboekt, ‘week hij van Hem voor een tijd’ (Luk. 4:13). Hoe kwam het dat hij bij de Heer Jezus geen voet aan de grond kreeg? Omdat Deze alle verzoeking afsloeg met een tekst uit het woord van God. Ongelovigen zijn sowieso in zijn macht. Op gelovigen krijgt hij vat als zij het woord van God niet meer als norm voor alle aspecten van hun leven hanteren.

Werkwijze van satan en zijn engelen

Zoals de uitverkoren engelen ‘dienende geesten’ worden genoemd (Hebr. 1:14), zo noemt de Bijbel demonen ‘boze geesten’ (Luk. 8:2). Ook op andere plaatsen worden demonen ‘geesten’ genoemd (Matth. 8:16; Luk. 10:17, 20; Openb. 16:14). Ze zijn bijzonder actief in het verderven van de waarheid en het verspreiden van de leugen (1 Tim. 4:1–3; 1 Joh. 4:1–3). Hun boze karakter zien we speciaal tot uiting komen in onreinheid. Daarom horen we dikwijls van ‘onreine geesten’ (Matth. 10:1; Mark. 1:26; 3:11; Hand. 8:7; Openb. 16:13).

Satan gaat niet alleen rond ‘als een brullende leeuw’ (1 Petr. 5:8), maar hij doet zich ook voor ‘als een engel van het licht’ (2 Kor. 11:14). Hij komt niet altijd op klompen, met veel lawaai, maar ook wel op kousenvoeten, sluipend, onhoorbaar. Hij vergiftigt het denken van de mensen door hun vrijheid te beloven (vgl. 2 Petr. 2:19). Hij gebruikt daarvoor valse leraars. Die hangen mooie verhalen op over het vrij zijn om te doen wat je zelf wilt, alsof dat je het hoogste genot zou geven. Zo hebben onreine geesten seksuele vrijheid gepredikt. De gevolgen? Kapotte huwelijken, wanstaltige samenlevingsvormen (homohuwelijk), ontwrichte gezinnen, bandeloze jeugd, aids. Wat als vrijheid wordt aangeboden, blijkt een dodelijke gebondenheid te zijn. Aangrijpend velen bijten in het aas. Alleen kennis van de waarheid (het woord van God) maakt echt en blijvend vrij (Joh. 8:31). Wie door de Zoon wordt vrijgemaakt, is werkelijk vrij (Joh. 8:36).

Uitverkoren engelen: actie of kijken

Engelen in actie ten behoeve van gelovigen komen in de Bijbel vooral voor in het Oude Testament, de Evangeliën, Handelingen en Openbaring. Met name in het boek Openbaring lijkt er een uitbarsting van engelenacties te zijn. Ze worden daar meer dan 50 keer genoemd. Maar daar gaat het dan ook om Gods openlijk handelen met de aarde. Dat is precies het kenmerk van de genoemde gedeelten van de Bijbel: daarin staat de aarde en het leven van de gelovige daarop centraal.

In de brieven van het Nieuwe Testament, die betrekking hebben op de tijd van de gemeente, wordt niet vaak iets over engelen gezegd. En als ze worden genoemd, wordt geen actie beschreven maar een houding. In de brieven staat vooral de hemel centraal. Dat komt omdat het leven van de nieuwtestamentische gelovige onlosmakelijk verbonden is met de Heer Jezus in de hemel. Natuurlijk speelt het leven van de nieuwtestamentische gelovige zich ook op aarde af. Toch is het hele doel van zijn leven de hemel (Fil. 3:14), omdat Christus Zich daar bevindt (Kol. 3:1–4). Een christen in de volle, bijbelse zin van het woord is iemand die op aarde waar maakt dat God hem heeft ‘mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus Jezus’ (Ef. 2:6). De gelovige van het Nieuwe Testament is gezegend ‘met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus’ (Ef. 1:3). Hij leeft op aarde, maar niet voor de aarde. Hij leeft voor de hemel.

Zeker gebruikt God ook in deze tijd zijn engelen ten gunste van de gelovigen. Maar dat doet Hij niet op die openlijke wijze als in het Oude Testament, de Evangeliën, Handelingen en Openbaring. In de brieven is de plaats van de uitverkoren engelen grotendeels die van toeschouwers. Als ze uitgezonden worden lijken ze meestal zelf onopvallend te blijven. Alleen hun werk valt soms op.

Gevallen engelen: kijken of actie

Ook gevallen engelen kijken naar mensen. Ook zij zien de wijsheid van God in de gemeente. Hun activiteiten zijn door de hele Bijbel heen te vinden. Maar meer dan ooit zijn ze actief in de tijd van het Nieuwe Testament. Dat heeft te maken met de eindtijd. Satan weet dat hij nog maar weinig tijd heeft. Het heeft ook te maken met die grote openbaring van de wijsheid van God in de gemeente. Satan en zijn engelen zijn vervuld met een onuitblusbare haat tegen alles wat God doet. Hoe grootser het werk van God, hoe groter de gloed van hun haat. Des te harder ook zullen satan en zijn demonen hun best doen dat werk te verwoesten. Met name in de brief aan de Efeziërs worden de hoogste zegeningen beschreven die God de christen heeft gegeven. Juist daar lezen we over de listen van de duivel (Ef. 6:11b).

De duivel heeft allerlei strategieën, zoals bijvoorbeeld ontmoediging, teleurstelling, verwarring, zedelijk falen, leerstellige dwaling om de gelovige het genot van zijn geestelijke zegeningen af te nemen. Al zijn listen passen bij hem als de vader van de leugen (Johannes 8 vers 44). Altijd zal hij de waarheid verdraaien. Hét bewijs daarvan staat al in Gen. 3:1. Daar staan de eerste woorden die de duivel in de Bijbel spreekt. Hij doet alsof hij God citeert, maar hij doet dat op zijn eigen manier. Het resultaat is de zondeval van de mens. Zo gaat hij altijd te werk. Het gevolg is dat er voor de gelovige die Gods zegen waardeert en wil genieten, een strijd ontbrandt ‘tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten’ (Ef. 6:12). In de mens is daarvoor geen enkele kracht aanwezig. Vandaar de oproep zich te sterken in de Heer en in de kracht van zijn sterkte (Ef. 6:10). Tevens stelt God een complete wapenrusting ter beschikking en wel die van Hemzelf (Ef. 6:13–18).

7. De toekomst van engelen

Toekomst van satan en zijn engelen

De uiteindelijke bestemming van satan en zijn volgelingen is de hel. Voordat zij daarin terecht komen, worden ze eerst uit de hemel geworpen. Daar hebben ze nu nog toegang om de gelovigen bij God aan te klagen (Job 1:9–11; Zach. 3:1; Openb. 12:10). Maar aan die arglistige activiteit komt een einde. Satan en zijn engelen worden neergeworpen op de aarde (Openb. 12:9). In grote razernij vervolgt satan allen die met God in verbinding staan. Maar ook aan die boosaardige activiteit komt een einde. Bij de komst van de Heer Jezus uit de hemel, worden eerst zijn twee grootste medestanders, het beest en de valse profeet, gegrepen. Hun oordeel vindt zonder vorm van proces plaats: ‘Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt’ (Openb. 19:20).

Daarna komt er een engel uit de hemel, ‘die de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand had. En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en bond hem duizend jaren; en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem’ (Openb. 20:1–3a). De ‘afgrond’ is niet de hel. Het is de plaats waar satan zijn ‘voorarrest’ uitzit, zonder enige bewegingsvrijheid. ‘En wanneer de duizend jaar voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten, en hij zal uitgaan om de naties te misleiden’(Openb. 20:7, 8a). Als hij deze, zijn laatste, opstand heeft georganiseerd, voltrekt God het definitieve oordeel: ‘En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid’ (Openb. 20:10).

Mensen hoger dan de uitverkoren engelen

Ze zijn eerder geschapen dan de mens. Ze gaan de mens in kracht en wijsheid te boven. Zij zijn de dragers van de troon van God en omringen de troon. Ze bevinden zich in de onmiddellijke nabijheid van God. Zij gehoorzamen terstond elk bevel van God. Toch zal de mens een plaats krijgen boven de engelen. Dat is het gevolg van het werk van Christus op het kruis.

God heeft Christus op grond van zijn werk aan zijn rechterhand gezet in de hemelse gewesten, ‘boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij… en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is’ (Ef. 1:20–23). De gemeente (die bestaat uit verloste mensen) is één gemaakt met de Mens Christus Jezus. Daardoor delen die mensen in alles wat Hij als Mens heeft gekregen: het erfdeel, hemel en aarde en de regering daarover (Ef. 1:10).

Engelen onderworpen aan mensen

De toekomstige regering over de aarde is niet aan engelen toevertrouwd. Daarover laat Hebr. 2:5 geen twijfel of misverstand bestaan: ‘Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk.’ Vanaf dit vers in Hebr. 2 beschrijft Paulus de heerlijkheid van de Heer Jezus. We hebben gezien hoe Paulus de heerlijkheid van de Heer Jezus in hoofdstuk 1 beschreef. Daar maakte hij duidelijk hoezeer de Heer Jezus als de Zoon van God verheven is boven de engelen. Maar in Hebr. 2 beschrijft hij zijn heerlijkheid in verbinding met het komende aardrijk. Daarom richt hij de volle aandacht op zijn heerlijkheid als Zoon des mensen. Ook hier is de aanleiding een vergelijking met de engelen. Alleen worden ze hier volledig buitengesloten. In Hebr. 1 hadden ze hun plaats, om aan te tonen hoever de Heer Jezus boven hen verheven is. In Hebr. 2 hebben ze geen plaats, want ze regeren niet in het toekomstig aardrijk. De plaats van regering zal straks door God aan zijn Zoon des mensen worden gegeven. De gelovigen mogen dan met Hem regeren. Ze zullen zelfs over engelen regeren (1 Kor. 6:3), dat wil zeggen dat zij hun opdrachten zullen geven.

Engelen in het vrederijk

Wanneer de Heer Jezus openbaar zal regeren als de Zoon des mensen, en de gemeente met Hem, dan zullen ‘de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen’ (Joh. 1:52). Let op de volgorde! Ze stijgen eerst op van de Zoon des mensen. Dat betekent dat de Heer Jezus als Koning op aarde regeert. De engelen zullen tussen de aarde en de hemel heen en weer reizen om zijn wil, die dan volmaakt zowel in de hemel als op aarde geschiedt, te volbrengen. Hemel en aarde zijn dan verenigd. Dit is de volle vervulling van de lofprijzing die God werd toegebracht in de nacht waarin de Heer Jezus werd geboren: ‘En plotseling was er met de engel een menigte van een hemelse legermacht, die God prees en zei: Heerlijkheid zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen van zijn welbehagen’ (Luk. 2:13, 14).